Ontbreken kledingkast geen vrijbrief om geen bedrijfskleding te dragen

29-04-2010, 14.33

Werkzaamheden opschorten, dus je werkzaamheden tijdelijk niet uitvoeren, omdat er geen voorzieningen zijn om persoonlijke spullen en kleding in op te bergen. Over het algemeen is het ontbreken van een kledingkast geen steekhoudend argument om je werk tijdelijk neer te leggen.

Natuurlijk, Lavans heeft ze: kledinguitgiftekasten om in een bedrijf bedrijfskleding te distribueren en in te zamelen, als kast of uitgifteautomaat. En kledingkasten om persoonlijke spullen in op te bergen. In de voedingsindustrie is het vanwege hygiënevoorschriften vaak vereist om kleding van thuis gescheiden op te bergen van bedrijfskleding. Maar een werkgever is niet verplicht om die gewaardeerde voorzieningen te hebben. En een werknemer moet zich bij het ontbreken van voorzieningen om persoonlijke kleding of andere spullen op te bergen, flexibel opstellen.

Een medewerker van een expressedienst was aangesteld in de functie van chauffeur en vervoerde onder meer huisartsen en medicijnen in een speciaal daarvoor ingerichte auto. In de loop van 2002 heeft de werkgever voorgeschreven dat de werknemers de door hem ter beschikking gestelde bedrijfskleding moesten dragen. Het kledingpakket bestond uit een jas, polo en broek. De medewerker weigerde diverse malen die kleding te dragen. De werkgever heeft hem daarop diverse malen aangeschreven. De werknemer voerde als bezwaar tegen het dragen van de bedrijfskleding aan dat hij naast zijn betrekking bij deze werkgever ook werkzaamheden als enquêteur verrichtte, maar dan in andere kleding. Bij de werkgever kon hij die niet afgesloten opbergen. Aangezien op de werkplek reeds spullen werden vermist of gestolen, wenste de werknemer zijn kleding niet onbeheerd achter te laten.

Nadat de werknemer door de werkgever diverse keren was aangesproken en 4 keer was aangeschreven over het niet dragen van de bedrijfskleding, heeft de werkgever hem bij een daarop volgende overtreding, op staande voet ontslagen. Vervolgens weigerde het UVW om de werknemer een ww-uitkering te verlenen. Volgens het UVW had de kledingweigeraar zich bij zijn werkgever zo gedragen dat hij kon weten dat ontslag zou volgen. Dat gedrag bestond volgens het UVW daaruit dat de werknemer zich ondanks eerdere waarschuwingen niet aan de kledingvoorschriften had gehouden.

In hoger beroep heeft de werknemer aangevoerd dat hij niet weigerachtig was om de kleding te dragen, maar dat de eigen kleding niet afgesloten kon worden opgeborgen. De werknemer was de enige die daarover met de werkgever een discussie aanging, waardoor het geschil werd opgeblazen. Hij benadrukt dat hij altijd naar tevredenheid heeft gewerkt en dat hij pas na het aangaan van de arbeidsovereenkomst werd geconfronteerd met de kledingvoorschriften.

De Raad van Beroep is van mening (03/4445 ww), dat de werkgever in redelijkheid kon voorschrijven dat de werknemers de door hem aangewezen bedrijfskleding zouden dragen. Ook al is dit gebeurd lopende de arbeidsovereenkomst. De Raad is ook van oordeel dat de door werknemer aangevoerde gronden geen redenen zijn om de bedrijfskleding niet te dragen. Allereerst wijst de Raad er daarbij op dat de man niet uitputtend is nagegaan welke oplossingen, anders dan een afsluitbare kast, mogelijk zouden zijn. Zo is de mogelijkheid van het aanbrengen van een hanger in de auto niet bij de werkgever ter sprake gebracht. Evenmin is bekeken of de eigen kleding zou kunnen worden opgeborgen in een (afsluitbare) koffer of een tas die in de auto kon worden meegevoerd. Bovendien bleek dat de kleding kon worden achtergelaten in een door de werknemer gebruikte afsluitbare wachtruimte. Dat de chauffeur steeds naar tevredenheid zou hebben gewerkt, doet daaraan niets af.

Tenslotte moest het voor de werknemer voldoende duidelijk zijn geweest dat de werkgever zoveel belang hechtte aan het dragen van de bedrijfskleding, dat zijn weigering om die kleding te dragen, het einde van het dienstverband met zich zou kunnen brengen. Het hoger beroep slaagde daarom niet.