Werkgever weet niet hoe om te gaan met hoofddoek
Werkgevers weten niet altijd hoe ze om dienen te gaan met het dragen van een hoofddoek in representatieve functies. Hieronder leest u een tweetal voorbeelden via uitspraken die de Commissie Gelijke Behandeling dit jaar deed.
Caissière
Een caissière uit Tilburg weigert de hoofddoek te dragen die haar werkgever heeft geleverd. De hoofddoek is volgens de vrouw te dik en daardoor „ondraaglijk”. De vrouw besloot op een gegeven moment, aldus een woordvoerster van de Commissie Gelijke Behandeling, op haar werk een hoofddoek te dragen. De doek was echter niet in de kleuren van de en het bedrijf kon ook geen hoofddoek leveren. Het bedrijf schorste daarop de vrouw korte tijd totdat de fabrikant van de bedrijfskleding een doek in de juiste kleuren kon verzorgen. „De vrouw is altijd aan het werk geweest”, aldus de algemeen directeur van de supermarkt. „Wij hadden alleen geen materiaalkeuze gemaakt voor een bedrijfshoofddoek.”
Ondanks advies van de fabrikant zelf, werd er een hoofddoek gemaakt die niet voor 100 procent van polyester is. „De doek is nu van erg dikke stof”, aldus de woordvoerster. „De vrouw vindt het onacceptabel om die doek te dragen en daarom voelt zij zich gediscrimineerd.”
De CGB besloot om geen uitspraak te doen, maar vroeg de twee partijen nog eens met elkaar te overleggen om tot een oplossing te komen. „De commissie denkt dat de twee partijen er wel uit kunnen komen en wil daarom nog geen uitspraak doen.” Bovendien, gaf de woordvoerster aan, is de werkgever bereid een hoofddoek te leveren die wel voor 100 procent van polyester is gemaakt. „Voor de overbruggingsperiode moet dus nog een oplossing komen.” Hoelang de commissie de twee partijen de tijd geeft om tot een oplossing te komen, is niet bekend.
De directie van de supermarkt noemt de beslissing van de commissie correct. „Van onze kant is er geen onwil en de wens van de medewerkster voor een bepaalde materiaalstof is ingewilligd. Er is geen sprake van discriminatie op basis van godsdienst.” Het is de eerste keer dat een dergelijke zaak door de commissie wordt behandeld, aldus meldt de woordvoerster in dagblad de Telegraaf op 3 januari 2006.
Kantinemedewerkster
Na de hiervoor vermelde zaak behandelde de Commissie Gelijke Rechten een soortgelijke zaak tussen een kantinemedewerkster de school waar zij werkt. De commissie oordeelde dat de werkgever discrimineerde op grond van godsdienst aangezien het de vrouw niet toegestaan werd om tijdens formele gelegenheden, zoals een diploma-uitreiking, in combinatie met de bedrijfskleding een hoofddoek te dragen die haar hoofd en borsten bedekt. De commissie oordeelde dat het legitiem is om met bedrijfskleding een uniforme en representatieve uitstraling te bewerkstelligen. Er is evenwel een alternatief middel denkbaar waarmee de doelstelling ook kan worden bereikt, maar waarmee geen onderscheid wordt gemaakt. Dit alternatieve middel is dat werkneemster een doek draagt van dezelfde stof (en daarmee dezelfde kleur) als de bedrijfsblouse en waarop het bedrijfslogo is gespeld. Ondanks de omstandigheid dat deze doek de schouders en borsten en daarmee gedeeltelijk de bedrijfsblouse bedekt, kan daarmee de door werkgever gewenste doelstelling worden bereikt. In dit geval zal het de werkgever op basis van discriminatie op godsdienstige gronden verboden worden om het niet toe te staan een hoofddoek te dragen.
